This article is only available in Dutch.

Ex Libris

Le Novateur: The first Belgian music journal

Jan Dewilde
Koninklijk Conservatorium Antwerpen

Het eerste nummer van *Le Novateur*.

‘Un journal consacré au théâtre, à la littérature, à la peinture et à la musique’, zo profileerde het Antwerpse kunsttijdschrift Le Novateur (Echo des arts) zich in zijn eerste nummer van 2 september 1838. Lang voor ‘multidisciplinariteit’ een modieuze en vaak misbruikte term werd, was dit voor de uitgevers van deze periodiek al evident. In het openingsredactioneel (‘Au public’) wijst een anonieme hoofdredacteur erop dat het uitgeven van een kunsttijdschrift vroeger een riskante zaak was, maar dat de tijden zijn veranderd:

Le goût des Sciences et des Beaux-Arts se répand tous les jours davantage et la nécessité d’avoir un organe impartial et placé en dehors de la politique et des calculs commerciaux, semble une chose indispensable.

Uit het vervolg van de tekst wordt nog wel duidelijk dat het tijdschrift zich vooral zal richten op opera, het multidisciplinaire genre bij uitstek dat in de negentiende eeuw de muzikale hiërarchie zou aanvoeren.

In de eerste decennia van de negentiende eeuw kende de opera- en concertpraktijk een exponentiële groei ten behoeve van een zich ontwikkelende burgerij, die zich graag groepeerde rond culturele genootschappen, zoals koren en concertverenigingen. Naarmate kunsten en wetenschappen steeds minder het exclusieve territorium van een politieke en religieuze elite werden, groeide vooral in de steden een breder cultureel publiek. Parallel daaraan wijzigde geleidelijk ook de functie van muziek: waar die eerder diende om God en vorst te loven óf een diverterend karakter had, werd muziek abstracter, terwijl ze aan de andere kant ook steeds meer een vehikel werd om ideologische, politieke of moraliserende boodschappen uit te dragen.

Muziekscholen werden gesticht, een concertinfrastructuur werd uitgebouwd, en programmerings- en uitvoeringspraktijken wijzigden drastisch. Die hele evolutie waarbij muziek, en dan vooral opera, over heel Europa een ongehoorde culturele betekenis kreeg, is duidelijk af te lezen uit de vele culturele tijdschriften die in de loop van de negentiende eeuw gepubliceerd werden. De vroegste muziektijdschriften waren vaak eenmansprojecten en richtten zich tot connaisseurs, maar de in 1789 in Leipzig gestichte Allgemeine musikalische Zeitung had een nieuwe toon gezet en richtte zich niet langer alleen tot ‘Kenner’, maar ook tot ‘Liebhaber’. Het journalistieke muziektijdschrift was geboren.

Het Antwerpse tijdschrift Le Novateur, dat wekelijks op zondag verscheen, was de eerste reguliere muziekperiodiek in België. Opmerkelijk is dat er nergens een hoofdredacteur of verantwoordelijke uitgever wordt vermeld. De meeste bijdragen zijn ook anoniem of enkel met initialen gesigneerd. Slechts één auteur kon worden geïdentificeerd: achter H. de B. gaat de Antwerpse literator Henri de Brès schuil.

De focus lag vanzelfsprekend op Antwerpen, al werd ook het Brusselse muziekleven belicht en was er ruim aandacht voor de Parijse operahuizen die toen de internationale smaak dicteerden. Bij momenten kregen ook provinciale schouwburgen in België en Frankrijk alinea’s toebedeeld, maar de meeste belangstelling ging uit naar het reilen en zeilen van het Théâtre Royal d’Anvers, dat in de Bourlaschouwburg resideerde. De samenstelling van die opera-troep werd afgedrukt, en de voorstellingen werden aangekondigd en achteraf minutieus, en toch wel met kennis van zaken besproken. Daarnaast werden belangrijke concerten gerecenseerd, bijvoorbeeld de optredens (mét orkest) van de jonge vioolvirtuoos Henri Vieuxtemps in november 1838 in Antwerpen. In de eerste recensie, gepubliceerd op 18 november, staat te lezen dat een aantal enthousiaste concertbezoekers na afloop een intekenlijst liet circuleren om zo nog een tweede concert te kunnen afdwingen. Vieuxtemps ging akkoord, stelde zijn tournee naar Rusland met enkele dagen uit en speelde op 29 november een tweede concert.

Naast de recensies waren er ook rubrieken als ‘Analyses’, waarin opera’s werden besproken, of ‘Causeries musicales’, waarin bijvoorbeeld een nieuwe zangmethode werd belicht. Het tijdschrift geeft ook een uniek inzicht in het publieksgedrag uit die tijd, zoals de ‘claqueurs’ en de ballotage. De abonnees hadden veel macht en konden door georganiseerd applaus of boegeroep, en door hun recht om te stemmen voor of tegen een zanger, een operadirecteur het leven lastig maken en zelfs tot ontslag dwingen. De passies liepen hoog op en soms moest een voorstelling wegens al te luidruchtig protest worden onderbroken.

Le Novateur was een goed gemaakt en lezenswaardig blad. Om de aandacht van de lezer vast te houden werden langere, doorwrochte artikelen afgewisseld met korte berichtjes en anekdotes in de rubriek ‘Écho’. Die nieuwtjes laten toe om de internationale bewegelijkheid van componisten, virtuozen en zangers op de voet te volgen (‘M. Haumann, violoniste belge distingué, donne en ce moment des concerts à Marseille’), maar soms zijn het ook niet meer dan halve geruchten en hele roddels (‘Le bruit court que M. de Bériot est sur le point d’épouser la sœur de sa première femme, Mlle Garcia’). Een van de afgedrukte anekdotes kreeg de prikkelende titel ‘Talma sans culottes’ en vertelt over de legendarische Franse acteur François-Joseph Talma die in een stuk van Horatius opkwam zonder broek om zo de waarachtigheid van het stuk te verhogen (‘Je n’ai pas des culottes; les Romains n’en portaient pas’). Pointe van de anekdote is dat er zich tussen Talma en zijn tegenspeelster op het toneel ‘un double dialogue en voix basse’ ontwikkelde, waarin ‘les mots les plus piquants’ werden uitgewisseld.

Naast de opera’s en concerten kregen ook balletvoorstellingen ruim aandacht, zodat we geïnformeerd worden over een legendarische ballerina als Fanny Elssler. Romans en theaterstukken werden dan weer in de rubriek ‘Causeries littéraires’ tegen het licht gehouden. Wie echter een abonnement op het tijdschrift nam om ook over schilderkunst geïnformeerd te worden, zoals in het eerste nummer beloofd, zal zich wel bekocht hebben gevoeld. Beeldende kunst komt in Le Novateur nauwelijks aan bod, al werd wel een benefiettentoonstelling aangekondigd waarop ten voordele van de muziekschool van Tienen schilderijen van onder andere Nicaise De Keyser te koop werden aangeboden. Toch deed de redactie stevige inspanningen om haar lezerspubliek te plezieren. Zo eindigden sommige nummers met een woordspelletje of een raadsel (‘charade’), waarvan het antwoord bij wijze van klantenbinding pas in het volgende nummer werd gegeven.

Toch was Le Novateur geen lang leven beschoren: het eerste nummer verscheen op 2 september 1838, het laatste al op 31 maart 1839. De hoop dat een dergelijk tijdschrift ‘indispensable’ zou zijn, bleek dus ongegrond. Na een onderbreking van enkele maanden startte Henri de Brès met Le Philotechnique een nieuw zondags muziektijdschrift, maar dat werd evenmin een succes: het eerste nummer verscheen op 18 augustus, het laatste op 29 december 1839. Na deze verdienstelijke pogingen hadden Brusselse muziektijdschriften als La Belgique musicale (1841-1859) en vooral Le Guide musicale (1855-1918) een steviger basis.

De 29 nummers van Le Novateur vormen samen een gedetailleerde kroniek van het Antwerpse muziekleven en geven een direct inzicht in de muziekpraktijk van die tijd. Niet alleen bekende en minder bekende opera’s, ook nationale en internationale zangers passeren de revue. Tussen de regels door lees je ook dat in stilte naar muziek luisteren nog geen gewoonte was, tot grote ergernis van de fervente muziekliefhebbers en de muziekrecensenten. De vele details over de dagelijkse praktijk – de petroleumlampen die tijdens de voorstelling kapot sprongen of decordoeken die dienst weigerden – zorgen voor een grote levendigheid.

Tijdschriften als Le Novateur zijn een essentiële bron voor eenieder die de muziekpraktijk bestudeert, en bij uitbreiding het culturele leven uit die periode. Om het raadplegen te vergemakkelijken en tegelijkertijd onze fragiele exemplaren te vrijwaren, werden alle nummers uit de collectie van de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen gedigitaliseerd en geïndexeerd, en zo full text opzoekbaar gemaakt via de databank RIPM (Retrospective Index to Music Periodicals (1760-1966). RIPM – onder auspiciën van de International Musicological Society, de internationale muziekbibliothekenvereniging IAML en de UNESCO – demonstreert tot wat internationale samenwerking in staat is: ondertussen werden meer dan tweehonderd internationale historische muziektijdschriften op die manier ontsloten, te beginnen in 1759 in Berlijn met Kritische Briefe über die Tonkunst, om voorlopig te eindigen in 1959 in Milaan met Incontri musicali, Milaan. De databank is vanzelfsprekend in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium te raadplegen.

Charade

Lorsque d’un instrument l’on entend mon premier,
L’on aime bien qu’il soit semblable à mon dernier,
Et mon tout sans défaut, dit un auteur supreme,
Aux yeux d’un connoisseur vaut seul un long poème.

SON-NET

1 lettergreepraadsel, verschenen in Le Novateur, 3 februari 1839.

+++

Jan Dewilde

is coördinator van het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek en leidt de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Aan het Antwerps Conservatorium coördineert hij de onderzoeksgroep Labo XIX&XX. Hij is editor van de partiturenreeks The Flemish Music Collection (Musikproduktion Höflich, München) en heeft tal van publicaties over Vlaamse muziek op zijn naam.

jan.dewilde@ap.be