Dit artikel verscheen in FORUM+ vol. 22 nr. 2

Ex Libris

De albums van Adolphe Coryn, ‘un ténor doté d’un cerveau’

Jan Dewilde
Koninklijk Conservatorium Antwerpen

Wie de Antwerpse operageschiedenis van de eerste helft van vorige eeuw wil bestuderen, kan niet om de Gentenaar Adolphe Coryn (1869-1933) heen: na een succesvolle internationale carrière als operazanger leidde hij van 1911 tot 1933 het Théâtre Français Royal in Antwerpen, toen gehuisvest in de Bourlaschouwburg. In de conservatoriumbibliotheek bewaren we twee fraaie albums waarin de jonge Coryn het prille begin van zijn zangcarrière documenteerde. In de met goudopdruk en plantenmotieven gedecoreerde lederen albums van de gerenommeerde Britse drukkerij Marcus Ward & co. kleefde hij (of zijn trotse ouders?) krantenknipsels, recensies, concertprogramma’s, brieven, postkaarten en telegrammen. Het groene album omspant de jaren 1887 tot 1892 – op de lege pagina’s kleefde hij later wel nog knipsels uit de jaren 1895-1896; het blauwe album behandelt de jaren 1892 tot 1898.

Coryn studeerde aan het Gentse Conservatorium waar hij in 1890 eerste prijzen voor ‘Chant français’ en ‘Chant néerlandais’ behaalde. Geselecteerd uit 32 kandidaten van alle Belgische conservatoria kon hij zich daarna met een studiebeurs perfectioneren aan het Brusselse Conservatoire Royal waar hij in 1892 eerste prijzen voor ‘Mimique’ en ‘Chant lyrique’ in de wacht sleepte. Coryn was een ‘baryton-martin’ – een stemtype dat ook weleens werd omschreven als ‘un ténor doté d’un cerveau.’ Een van zijn favoriete aria’s in zijn studiejaren was de arioso ‘Aux troupes du sultan’ uit Le roi de Lahore van Jules Massenet. Op zijn vroegste optredens zong hij ook graag ‘L’étoile du soir’ (‘O du mein holder Abendstern’) uit Tannhäusser en de cavatine uit Charles Gounods historische fresco Cinq mars.

Kort na zijn afstuderen in Brussel werd Coryn een contract aangeboden door het Grand Théâtre des Arts in Rouen. Het eerste document dat in het blauwe album kleeft, is dan ook een postkaart waarin Coryn zijn vader laat weten dat hij in Rouen gedebuteerd is met de rol van stierentemmer Ourrias uit Mireille van Gounod: ‘cela a très bien marché et le directeur m’a félicité.’ Enkele dagen later zong hij Valentin (Faust) en, volgens een krantenknipsel uit Le Petit Rouennais van 3 december 1892, ook Brétigny in Massenets Manon. Maar Coryn maakte vooral furore door er in zijn eerste weken ‘au pied levé’, zonder enige voorbereiding dus, op één en dezelfde dag in te vallen in André Maillarts succesopera Les dragons de Villars (matineevoorstelling) en Gaetano Donizetti’s La Favorite (avondvoorstelling). Na dat huzarenstukje kroop operadirecteur José Bussac in zijn pen om vader Jules Coryn van deze ‘véritable tour de force’ op de hoogte te brengen en te benadrukken hoe blij hij was dat hij diens zoon had geëngageerd. Ook deze brief is in het album opgenomen, evenals een knipsel uit Het Volksblad van Gent dat van deze straffe toer melding maakt: ‘Welk een genoegen voor zijnen vader zulke tijdingen te ontvangen, hij die zich steeds zulke zware opofferingen getroost om het talent zijner kinderen te doen ontwikkelen.’ Vader Coryn had inderdaad nog een jongere, getalenteerde vioolspelende dochter, Corinne, die zich na haar studies in Gent vervolmaakte bij Jean-Baptiste Colyns te Brussel. Daarna ging ze nog in Berlijn bij Joseph Joachim in de leer. Tijdens de zomermaanden gaven Adolphe en Corinne Coryn gezamenlijke optredens in hun geboortestad Gent, maar ook in het kuuroord Spa. Een van hun succesnummers was Chant hindou, het populaire lied voor zang, vioolsolo en piano van de Frans-Argentijnse componist Herman Bemberg. Ook Corinne zou trouwens een mooie carrière maken: ze werd violiste van Maria van Hohenzollern-Sigmaringen, gravin van Vlaanderen en moeder van koning Albert I;
ze ontwikkelde een drukke concertpraktijk en leidde een eigen, geheel vrouwelijk strijkkwartet, het Quatuor Corinne Coryn.

Tijdens het seizoen 1893-1894 werd Adolphe Coryn als ‘baryton d’opéra-comique’ geëngageerd door het Grand Théâtre van Montpellier. Daar debuteerde hij op 5 oktober 1893 als Valentin in Faust. Een postkaart uit het album leert dat hij daags nadien zijn vader op de hoogte bracht van zijn succesvol optreden: ‘Excellent premier début hier soir, et chose étonnante pas de trac.’ Vier dagen later zong hij in Le cœur et la main van Charles Lecocq en nog eens drie dagen later in Adolphe Adams Si j’étais roi. Deze drie voorstellingen op een week tijd golden als Coryns ‘trois débuts’. Het was lange tijd de gewoonte dat de abonnees zich via een ballotage mochten uitspreken over de zangers die door de operadirecteur waren aangezocht. Nadat een zanger(es) zich in drie verschillende rollen had bewezen, stemden de abonnementhouders of hij/zij voor dat seizoen een contract kreeg aangeboden. Na zijn ‘troisième début’ telegrafeerde Coryn trots het resultaat aan zijn vader: ‘Reçu par 12 non 148 oui.’ Coryn zou het vertrouwen van zijn publiek niet beschamen. Tijdens dat seizoen werd hij, onder meer, geprezen voor zijn Figaro in Il barbiere di Seviglia. Gaandeweg zou hij trouwens steeds meer bufforollen gaan zingen. Het seizoen nadien werd hij door het Théâtre Municipal van Algiers gecontracteerd, maar al vanaf eind november 1894 treffen we hem aan als ‘baryton d’opéra comique et d’opérette’ in het Grand Théâtre van Toulon. Het is niet duidelijk waarom hij al na enkele weken van Algiers naar Toulon verkaste. De pagina’s die op die plek uit het album zijn weggesneden, vergroten alleen maar het raadsel. In Toulon werd hij na zijn derde debuut alleszins met 114 stemmen tegen 11 in de harten gesloten. Maar een zanger is een zwerver en in het voorjaar van 1895 maakte Coryn deel uit van de cast die in de Opera van Limoges het zomerseizoen opende. Tijdens de zomermaanden van dat jaar was hij dan weer verbonden aan het prachtige Casino Frascati in Le Havre waar hij zong in Carmen, La Favorite, La Traviata en Zampa (Ferdinand Hérold).

Fragment uit het ‘blauwe album’ van Adolphe Coryn. Bibliotheek Koninklijk Conservatorium Antwerpen

Ondertussen was Coryn – of Corin, zoals hij meestal in Frankrijk werd genoemd – gehuwd met de Parijse zangeres Félicie Levasseur (1867?-1942). Deze sopraan had eerder al in verschillende Franse operahuizen gezongen en was ook een tijdlang verbonden aan het Théâtre Michel, het Franse theater in Sint-Petersburg. Voor het seizoen 1895-1896 werd het zingende echtpaar samen geëngageerd door het Grand Théâtre du Capitole in Toulouse, zij als ‘chanteuse légère’, hij als ‘baryton d’opéra-comique’. Ook in Toulouse werd hij geprezen om zijn warme, soepele stem met een vol en krachtig medium, en om zijn podiumprésence en zijn acteerprestaties. Belgische operazangers genoten toen in Frankrijk een goede reputatie, getuige deze regel uit een versje dat in Toulouse aan hem werd gewijd: ‘À nous rendre des barytons / Qui chantent juste à tous les tons / Le Belge excelle!’

Tijdens het seizoen 1896-1897 was het koppel Coryn- Levasseur verbonden aan de Opera van Reims, het jaar nadien verscheepten ze naar Avignon, maar in de winter- en lentemaanden van 1898 freelanceten ze. Op hun concerten zongen ze, bijvoorbeeld, het duet L’Angélus van Cécile Chaminade en de eenakter voor sopraan en tenor Une ruse de Pierrette van de Belgische componiste Eva dell’Acqua. Later dat seizoen traden ze ook op in Athene en Istanbul, waar ze samen in Gounods Philémon et Baucis stonden, zij als Baucis, hij als Jupiter. En tijdens de zomermaanden verzilverden ze hun talent in badsteden als Blankenberge, Oostende en Duinkerke. De toeloop van een begoed burgerlijk publiek deed in de loop van de negentiende eeuw kuuroorden en kustplekken een gevarieerd cultuurprogramma ontwikkelen met tentoonstellingen, theatervoorstellingen en concerten. Amusement, ontspanning en cultuur maakten inherent deel uit van de wellness- en gezondheidskuur en daarin had muziek een prominente plaats: ‘Musik als Heilung’. Zo groeiden badsteden en kuuroorden uit tot lucratieve etappes in het nomadenleven dat rondreizende zangers en virtuozen doorheen Europa voerde. Voor de meeste musici waren die zomerengagementen welgekomen of zelfs noodzakelijk, omdat ze na afloop van het reguliere opera- en concertseizoen niet meer betaald werden.

De albums eindigen in 1898, maar dan moest het voor Coryn eigenlijk nog echt gaan beginnen. Rond de eeuwwisseling kon men Coryn aan het werk zien in verschillende Parijse operahuizen, zoals het Théâtre de la Renaissance, de Opéra Populaire en het Théâtre Lyrique. Hij zong ook nog in Nantes, maar rond 1907 moet hij naar België zijn teruggekeerd. Tijdens het seizoen 1907-1908 stond hij in de Muntschouwburg in La Bohème en vanaf 1908 was hij verbonden aan het Théâtre Français in Antwerpen. Dankzij zijn grote internationale ervaring in Franse operahuizen bleek hij al vlug de geknipte figuur om vanaf het seizoen 1912- 1913 het Théâtre Français in Antwerpen als directeur te besturen. Op de jaren van de Eerste Wereldoorlog na, die hij als vluchteling in Londen doorbracht, zou Coryn de Franse Opera in Antwerpen tot zijn dood in 1933 leiden. Maar dat is een ander, lang en boeiend, verhaal.

Coryn was een getalenteerd man, dat is wel duidelijk. Naast zijn drukke en succesvolle activiteiten als zanger en operadirecteur, componeerde hij ook liederen die hij bovendien in eigen beheer publiceerde. In de bibliotheek bewaren we ook een deel van zijn muziekbibliotheek, met daarin heel wat aan hem opgedragen composities. Daaruit blijkt dat hij bij gelegenheid ook in het Nederlands zong. Uit een handgeschreven opdracht van Jan Blockx leren we dat Coryn diens Sinjorenlied (op tekst van Pol De Mont) creëerde, een lied dat werd uitgegeven ‘ten bate van het praalgraf voor Peter Benoit’.

Coryns albums kan u ondertussen via onze archiefmodule traceren: <http://anet.ua.ac.be/record/ opackcobj/tg:kcdc:154> en <http://anet.ua.ac.be/ record/opackcobj/tg:kcdc:153> [26 februari 2015]. Het zijn twee boeiende egodocumenten die kleur en diepte geven aan een grotendeels vergeten historische figuur. Bovendien reveleren deze twee albums veel informatie die anders moeilijk te vinden zou zijn. Of hoe spoor je anders informatie over een Vlaamse zanger op in kranten uit de jaren 1890, als La Dépêche Algérienne of Le petit Marseillais? Dit soort documenten dient echter wel met de nodige omzichtigheid gehanteerd te worden. Alle kritieken die in de albums zijn opgenomen, zijn positief. En misschien dus selectief.

+++

Jan Dewilde

is coördinator van het Studiecentrumb voor Vlaamse Muziek en leidt de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Aan het Antwerps Conservatorium coördineert hij de onderzoeksgroep Labo XIX&XX. Hij is editor van de partiturenreeks The Flemish Music Collection (Musikproduktion Höflich, München) en heeft tal van publicaties over Vlaamse muziek op zijn naam.
jan.dewilde@ap.be